De St. Willibrordus te Kloosterburen: Waterstaat (1842) en Neogotiek (1868/1869)

by Auke van der Woud (1947-)
Groningen:
cultureel maandblad,
ISSN 0011-2941
vol. 16 (1974-1975), pp. 57-74;
provided by: Koos Halsema

Aanleiding tot het schrijven van dit artikel was het vinden van een manuscript dat het verhaal bevat van de bouw van de neogotische St. Willibroduskerk te Kloosterburen, geschreven door de pastoor die deze onderneming opgezet had, Antonius Kerkhof.

In zijn journaal beschreef hij de voorbereiding tot de bouw de besluitvorming, de financiering, het overleg met de architect P I H Cuypers 1867/1868 en de kerkelijke overheid, tenslotte gaf hij een verslag van hoe en wanner de bouw tot stand kwam. De kerk die tot dan toe voor de parochie dienst had gedaan een echte waterstaatskerk was weliswaar nog in goede staat geleidelijk aan te klein geworden.

Beide kerkjes hebben misschien met een belangrijke maat wel een interessante plaats in de architectuurgeschiedenis. Het eerste ( in 1842 gebouwd) doordat het een representant is van een groot aantal kerkjes die in deze decennia onder aspecten van de Waterstaat gebouwd werden, het tweede (1868/1869) doordat het een aardig voorbeeld is van de aanpassing van Cuypers neogotiek aan een klein Groninger dorp en ook doordat het in een opzicht binnen Cuypers oeuvre voor zover dat nu te overzien is een unicum is.

De Waterstaat.

Waterstaatsstijl is een vage met vooroordelen beladen term, die veelvuldig gebruikt wordt en toch nog nimmer gedefinieerd is. Een waterstaatskerk is een gebouw dat in het tweede kwart van de vorige eeuw met bemoeienis van Waterstaatsambtenaren gerealiseerd werd.het aantal daarvan is niet gering en de gebezigde vormen en composities lopen nogal uiteen in de traditionele opvatting behoort zowel een imposant gebouw als de St. Antonnius van Padua ( de Moszes en Aaronkerk aan de Waterloplein te Amsterdam 1841 architect F.F.Suyst als het vergelijkenderwijs onooglijke Willibrorduskerkje van Kloosterburen tot dezelfde waterstaatsstijl.

Onder deze omstandigheden, bij een dergelijk gebrek aan eenheid in karakter en kenmerkende details, is het uitgesloten aan een begrip waterstaatsstijl een bruikbaar inhoud te geven, zodat de term beter vermeden kan worden. Tegen de benaming waterstaatskerk hoeft geen bezwaar te bestaan als zeker is dat waterstaatsambtenaren bij de bouw betrokken zijn geweest. Deze naam heeft overigens ook dan niet veel betekenis, want de rol die de waterstaat speelde was niet altijd dezelfde. Door zijn vele bevoegdheden en bekwaamheden is de invloed van deze rijksdienst op de vroeg 19de eeuwse bouwkunst in Nederland zo groot geweest, dat het gepast lijkt hier aandacht aan de organisatie en werkterrein er van te geven al kan dat binnen het raam van dit artikel slechts ten een schets zijn.

De waterstaat is evenals andere rijksdiensten een organisatie die uit de Franse tijd stamt. Tevoren lag de verantwoordelijkheid voor de zee en rivierdijken, vaarten en sluizen, bruggen en wegen bij de gewestelijke en lokale overheden. Na een reeks reorganisaties van structuur en de bevoegdheden van deze dienst ontstond in 1819 een opzet die gedurende de tijd die voor dit overzicht belangrijk is, namelijk tot het

Midden der eeuw gehandhaafd bleef. Het departement van Waterstaat ging (met kleine onderbreking in 1830/1831) deel uitmaken van het ministerie van Binnenlandse Zaken; het bestuur werd in handen gelegd van een inspecteur-generaal,

Vier inspecteurs, een aantal hoofdingenieurs en andere ingenieurs. Het bestuur om-

Vatte alleen die werken van algemeen belang die uit de algemene financiële middelen bekostigd werden; op uitvoering van alle werken waarmee het algemeen belang gemoeid was, dus ook openbare gebouwen hield de dienst toezicht.

In de provincies werd de Waterstaat geleid door de hoofdingenieurs, die op hun beurt ten dienste stonden van de Staatsraad” Gouverneur des Konings en de Staten (maar hun benoeming bleef een zaak van Den Haag). Met behulp van een aantal opzichters

Voerden de hoofdingenieurs hun taak van bestuur en toezicht uit. Deze taak was zich uit gaan strekken over een grote verscheidenheid van werken, zoals havens indijkingen, fabrieken, gevangenissen, vestigen, zeeweringen, wegen, watermolens, ambtswoningen, tolhuizen, scholen, in 1824 werd daar het toezicht houden op de bouw van kerken aan toegevoegd.

Het is niet juist deze overheidsinvloed op de kerkebouw als louter paternalisme of centralisme te bestempelen. Door oorzaken die nog onvoldoende onderzocht zijn was het vakmanschap en het scheppend vermogen van de Nederlandse bouw- kundigen of ze nu ontwerper of uitvoerder waren rond het begin van de vorige eeuw op een betrekkelijk laag niveau komen te staan. De Waterstaat ging in die tijd functioneren als een instantie die de tekeningen, bestekken en begrotingen van bouwkundigen of van hen die zich daarvoor uitgaven deskundig kon controleren en desgevraagd ook kon corrigeren. Dat het daarbij niet ging om een bureaucratisch ingrijpen wordt duidelijk uit de nota s van wijzigingen die in het provinciale archief

Van de waterstaat berusten: er zijn adviezen voor een andere plaatsing van een venster voor een betere lichtinval, er is bijvoorbeeld kritiek op een te lichte constructie, te smalle deuren en het vergeten van een loopplank boven het plafond om eventuele reparaties aan de dakkapel te kunnen uitvoeren. Wanneer een wat onzeker kerkbestuur dat vraagt, stelt de Waterstaat een begroting en voor de kerk in Kloosterburen zelfs een concept advertentie voor de aanbesteding op. De rijksoverheid stelde het houden van toezicht bij het bouwen als eis. Niet alleen om garantie te krijgen dat aan eventueel gestelde voorwaarden werd voldaan, maar vooral in die gevallen waarin de parochie of gemeente het Rijk (d.w.z. de koning) een aanvullende subsidie voor de nieuwbouw had gevraagd, zoals zo veel gedaan werd door kleine plattelandsgemeenten in deze tijd van economische zwakte en stagnatie. In die gevallen moest er op toegezien worden dat de beschikbare gestelde gelden niet voor andere doelen werden besteed en bovendien, dat ze zo goed mogelijk werden besteed. Het hoeft geen betoog dat de invloed van Waterstaat bij realisering van een gesubsidieerde kerk aanzienlijk groter was dan bij een niet gesubsidieerde, en ook groter bij een kerk die door een weinig bekwaam bouwkundige ontworpen en begoot was, dan bij een kerk van een ervaren en ter zake kundige architect. In enkele gevallen gevallen het kwam in de veertiger jaren in Groningen een paar keer voor was de Waterstaat voor het gehele werk verantwoordelijk, namelijk wanneer het kerkbestuur er niet in slaagde een betrouwbaar en bekwaam architect te vinden.

De opleiding van de ingenieurs van de Waterstaat werd een aangelegenheid van het Rijk in dezelfde tijd waarin de Waterstaat tot een nationale zaak gevormd werd: in1805, in de,,Algemeene theoretische en praktische school voor artillerie, genie en waterstaat” te Amersfoort. In 1806 werd deze school naar Den Haag verplaatst, in 1810 daar opgeheven, in 1814 in Delft weer geopend. In1828 werd de opleiding van de aspirant-ingenieurs van de Waterstaat samen met die van de officieren naar de Koninklijke Academie in Breda overgebracht, maar in 1842 kwam de ingenieurs opleiding nu voor het eerst los van de militaire opleiding in Delft terug onder de naam van Koninklijke Delfts Academie, die in 1868 omgezet werd in de Polytechnische School en nog later, in 1905, in de huidige T.H. De hoedanigheid van het bouwkundig onderwijs dat de ingenieurs in spe gegeven werd is niet bekend. Een onderzoek daarna zou belangrijke gegevens kunnen toevoegen aan de van de vroeg 19de eeuwse bouwkunst; het zou misschien alleen al een verklaring kunnen geven voor de opvallende overeenkomsten die bestaan tussen verscheidene waterstaatsker- ken in verschillende delen van ons land.

De Waterstaat hield niet uitsluitend toezicht op de bouw van nieuwe katholieke kerken, al is die indruk vroeger wel eens gewekt. De dienst werkte voor alle religieuze modaliteiten, want de procedure was voor de protestantse, katholieke en joodse gemeenten immers gelijk: aan het Ministerie voor de Eeredienst moest toestemming gevraagd worden voor grondaankoop en voor de bouw van een kerk volgens een bijgaande begroting, tekening, bestek en financieringsplan (wanneer bovendien een subsidie aangevraagd werd, diende dat verzoek rechtstreeks aan de koning te geschieden). Dit ministerie stuurde de bouwtechnische gegevens via de Gouverneur des Konings naar de provinciale hoofdingenieur, die ze door een van zijn opzichters (in Groningen waren er in de veertiger jaren tien) liet onderzoeken. Dat onderzoek, verwerkt in een nota, werd door de hoofdingenieur beoordeeld, waarna het stuk de hiërarchische weg terugging en tenslotte mede bepaalde of het toestemmende K.B. zou volgen. Doordat de archieven van de hoofdingenieur al deze correspondentie (met uitzondering van de interne briefwisseling in Den Haag) in originele brieven of afschriften bevatten, bieden de Waterstaatsarchieven een grote rijkdom aan gegevens voor de architectuurgeschiedenis en de lokale kerkgeschiedenis.

De eerste St. Willibrorduskerk van Kloosterburen.

Sedert de Reformatie was de parochie Den Hoorn de enige in de Marne, zodat de katholieken van Kloosterburen voor het houden van hun godsdienstoefeningen steeds de tocht naar het kerkje van Den Hoorn voor lief moesten nemen. De toestand van de wegwas echter vooral s winters uitermate slecht en toen het aantal katholieken in Kloosterburen in het begin van de 19de eeuw ging groeien, begon men plannen te maken voor de stichting van een eigen kerk en een eigen parochie. In december 1838 zond een commissie, geformeerd uit de katholieken in kloosterburen een verzoekschrift aan de Directeur-generaal van de zaken van de R.K. Eeredienst om volgens de bijliggende tekeningen, bestek en begroting (99408 gulden) een kerk en een pastorie te mogen bouwen. Pas in maart 1840 verzocht de Gouverneur van de provincie Groningen de hoofdingenieur A.C. Kros de bouwplannen te beoordelen, waarna deze de opdracht doorgaf aan zijn opzichter W. I. Hasselbach. Deze oorspronkelijke bouwplannen zijn gedateerd 24 december 1838 en gesigneerd door G. Dusseldorp. De bijbehorende tekeningen zijn verloren gegaan. Hasselbachs nota met voorstellen voor verbeteringen was in augustus klaar. Met enkele wijzigingen van de chef werd het stuk aan de bouwcommissie van Kloosterburen voorgelegd, die zich ermee akkoord verklaarde. In maart van het volgende jaar, 1841, vroeg de Gouverneur aan Kros tekeningen, een bestek en begroting te willen maken volgens de verbeterde versie. Met deze plannen, die in augustus gereed waren, is het kerkje gebouwd. De hoofdingenieur Kros signeerde ze; ze zijn echter het werk van Hasselbachs

De aanbesteding van het werk werd op 25 februari 1942 gehouden. Op 2 mei begon de bouw; nog binnen twee maanden waren de kerk en de pastorie onder de kap gebracht De wijding geschiede op 27 september en in januari 1843 werd de eerste pastoor van de nieuwe parochie Kloosterburen benoemd. Tijdens de bouw, die rond 14000 gulden gekost had en waarvoor men een subsidie van 4000 gulden ontving was het dagelijks opzicht in handen gegeven van een meester timmerman uit het naburige dorp Wehe, H. P. Noordhoek. Hasselbachs had opdracht (van tijd tot tijd) een inspectie te doen. Erg frekwent hoefde dat niet te zijn: een collega die in 1843 toezicht hield op de bouw van de nieuwe hervormde kerk in Kloosterburen kwam bijvoorbeeld tijdens de bouwtijd slecht zeven maal inspecteren.

Blijkens de tekeningen (afb. 1 en 2) was de kerk een hoogst eenvoudig uitgevoerd zaalkerkje. De krappe financiën dwongen die eenvoud af, het is tekenend voor deze zorgelijke tijd dat zelfs de zuinige plannen van Kloosterburen vooreen andere statie nog te luxueus waren. De pastoriewas tegen het koor aangebouwd, waarschijnlijk om materiaal en stookkosten te besparen. Deze bouwwijze was niet ongebruikelijk, bijvoorbeeld ook de katholieke waterstaatskerkjes van Zuidhorn, Assen en Sappemeer waren met de pastorie ondereen kap gebracht. De totale lengte van het geheel was ruim 30 meter ( de kerk was 23,2 en de pastorie 7,2 meter lang) de breedte bedroeg 10 de hoogte tot de nok ruim 11 meter. De rechthoekige ruimte had boven de ingang een tribune en was overdekt met een houten plafond. Het uiterlijk doet eerder aan een schuur denken dan aan een kerk, ook al wijzen de 9Gietijzeren spitsboog vensters en het kruis op het dak heen naar de functie van het gebouwtje. Het voorkomen van de spitsboogvorm hier kan niet losgezien worden van het ontstaan van de neogotiek in Nederland, de nieuwe bouwstijl die aan het eind van de dertiger jaren al hier en daar toegepast was, ook al blijkt uit bouwtekeningen van de St. Willibrordus duidelijk dat hier geen sprake is van een neogotische kerk: de spitsboogvensters alléén zijn daarvoor niet kenmerkend genoeg. Dat die spitsbogen hier toegepast werden, is waarschijnlijk niet eens zozeer een voortvloeisel uit een romantische belangstelling voor de middeleeuwen, als wel een uiting van conservatisme (of gevoel voor traditie): van de oude dorpskerkjes dat die middeleeuws waren wist nog bijna niemand werd de venstervorm overgenomen omdat die vorm als geen andere de religieuze bestemming van het gebouw symboliseerde. En niet alleen voor katholieken: de hervormde kerk van Kloosterburen heeft dezelfde spitsboogvensters.

De St. Willibrordus had nog een eigenschap die aansloot bij de overlevering uit de middeleeuwen. Hij stond georiënteerd, d.w.z. met het koor naar het oosten gericht. Het terrein maakte dat niet noodzakelijk: rondom de kerk was alle ruimte: juist het feit dat de ingangzijde nu niet aan de hoofdweg kon liggen maakt het waarschijnlijk dat de oriëntatie die kennelijk belangrijk was bewust geschied. Dit zou betekenen dat, in afwijking van wat Alberdingk Thijm meende, de kennis van deze zinrijke middeleeuwse traditie op het toen nog sterk geïsoleerde platteland hier niet verloren was gegaan: het kerkhuis van statie Sappemeer dat in 1761 gesticht was stond eveneens georiënteerd.

De tweede ST. Willibrorduskerk.

Vijf en twintig jaar later, 1n 1867, was de parochie zo gegroeid, dat men het kerkje te klein ging vinden. Waarschijnlijk ook wel te armoedig de maatschappelijke en liturgische ontwikkeling van het Nederlandse katholicisme was hogere eisen gaan stellen aan de bouw en inrichting van de kerken. Wat er van 1867 tot 1869 gebeurde nadat zijn parochianen gezegd hadden een nieuwe kerk te willen, beschreef pastoor A. kerkhof in het volgende relaas.

De bestaande kerk was een echte waterstaatskerk, wel sterk met degelijke specie gemetseld en goede kwaliteit stenen, doch met een planken plafond, blauw geschilderd en met pannen gedekt en voor de toenmalige wat klein. Bij winterdag, wanneer het vriezend weer was, begon het plafond door de warmte van stoven en mensen te druipen zodat men soms de paraplu moest gebruiken behalve boven het altaar, waarboven men het plafond met stro had bedekt (bij mijn tijd begon het altijd eerst te druipen wanneer de H.Mis geëindigd was). Ik heb het bouwen ener nieuwe kerk niet op touw gezet, maar de gemeentenaren zelf begonnen te praten, wij moesten toch een nieuwe kerk hebben, want deze is veel te klein. A mensen dat kan wel zijn, maar voor mij is het niet nodig, niemand staat in de weg. Maar gij begrijpt wel: als ik een nieuwe kerk moet bouwen, dan bouwen wij ook een kerk en die zal geld kosten en dat heb ik niet (er was nog ƒ 5.000,- schuld op de oude kerk, die moest eerst nog afgelost worden). Of jullie daarvoor geld hebben,, dat weet ik niet — ja, er waren rijksdaalders genoeg: als dat waar is dan wil ik mijn best wel doen. Hoe dan ook, er werd werk van gemaakt. Ik sprak daarover met architect Cuypers uit Amsterdam, die toen in Groningen bezig was aan de pastorie, en die ik vroeger had leren kennen bij de kerkbouw in Ulft. Hij kwam in Kl. En zou me dan een plan maken. ik schreef aan Z.D.H. Hoogeerwaarde J. Zwijsen, Aartsbisschop van Utrecht, mijn plan om in Kl. Een nieuwe kerk te bouwen. Monseigneur keurde dit goed en verwees mij daartoe tevens naar architect Wennekers, die in het noorden meer kerken had gebouwd. Ik schreef Monseigneur terug en vroeg of de verwijzing naar architect Wennekers een bevel was of slechts een raad, daar ik reeds met Cuypers in onderhandeling was. Daarop antwoordde Monseigneur: als gij met architect Cuypers afgesproken hebt dan is dat goed, maar zorg ervoor dat gij niet bouwt boven de krachten der gemeente, want architect Cuypers bouwt duur en bij aanbesteding is men dikwijls teleurgesteld omdat de begroting te laag is en de beschrijving dikwijls ver boven de begroting gaat. Intussen maakte ik de gemeente bekend met het plan een nieuwe kerk te bouwen wanneer ik daartoe bij de gemeentenaren genoegzaam ondersteuning mocht vinden. (K. schrijft dat een intekenlijst 27.000 gulden opbracht)Ik schreef dit aan Cuypers: hij zou nu maar voortmaken. Hij maakte een plan en bestek dat toen nog door de rijksarchitecten nagezien en goedgekeurd moest worden. (Dezen) maakten enige bemerkingen omtrent de structuur, welke bemerkingen ik aan Cuypers mededeelde, die de heren van antwoord heeft gediend. Ik verzocht Cuypers ook een globale begroting te maken en tevens gaf ik hem kennis van het schrijven van Monseigneur de Aardbisschop. Daarop kreeg ik van Cuypers het antwoord: zeg aan Monseigneur dat ik voor de begroting insta en als hij bij de aanbesteding blijkt dat het er niet voor aangenomen wordt, dan kan het kerkbestuur van Kl. Het werk laten uitvoeren volgen bestek en tekeningen, naar verkiezing door wie onder degelijk opzicht, opdat het goed wordt uitgevoerd. En kan het kerkbestuur iets uitzuinigen hetzij door de aankoop van materialen, tenzij anderszins, dan is dit een voordeel voor de kerk. Wat er bij het bouwen boven de begroting is, zal ik er uit eigen zak bij betalen, zodat in geen geval de onkosten boven de begroting zullen komen.

De begroting was ƒ50.000: voor de kerk ƒ 30.000 en voor de toren (8 meter) ƒ20.000 (de toren is echter ingekort en meet thans zo ik meen 7 meter Ik schreef dit resultaat met antwoord van Cuypers aan de Aartsbisschop, waarop ik een gunstig fiat ontving.

Nu bestond er nog een moeilijkheid omtrent het terrein. De oude kerk was gebouwd op de Singel naar de weg. Daar nu de nieuwe kerk een andere richting kreeg, met de toren naar de weg, zo werd het terrein of te smal, of te kort, zodat ik noodzakelijk over die gracht grond moest aankopen (volgt de koop).

Door de visie van de rijksarchitecten traineerde de zaak lang en kon men eerst in mei met de aanbesteding beginnen. Met november moest het werk onder dak zijn en zover zijn afgewerkt dat men de kerk desnoods in gebruik kon nemen. De 5de mei had de aanbesteding plaats. Er waren vijf inschrijvers, waarvan de hoogste ƒ 72.000 was en de laagste ƒ5.500.

Ja mijnheer Cuypers wat nu? Antwoord: ik hou mij aan mijn woord. Nu dan wij ook. Cuypers had een degelijke opzichter mede gebracht: de heer J.J. van Langelaar uit Amsterdam, een zijner bekwaamste opzichters. Op advies van Cuypers besloot het kerkbestuur deze Van Langelaar met de uitvoering van het werk te belasten. (Deze) heeft zich meesterlijk van zijn taak gekweten. Hij is wel Protestant, zei Cuypers, maar gij kunt op zijn degelijkheid vertrouwen. (Het werk werd niet gegund, men besloot in eigen beheer te gaan bouwen).

Nu aan het werk, Een advertentie in de courant om opgaaf van stenen en zending van verschillend monsters. Er kwamen verschillende monsters in en opgaven van prijs. Daar wij echter spoedig stenen nodig hadden, lieten wij een scheepslading van verschillende inschrijvers komen als monsters zo kregen wij spoedig stenen genoeg om te beginnen, hier kreeg ik van een dier leveranciers een brief, waarin mij verweten werd dat die wijze van doen een jodenstreek was. Het had er wel iets van, (maar wij waren gered).

De kerk kwam dwars door de oude kerk te staan, alzo een noodkerk bouwen, plaats daarvoor was nu de aangekochte grond. Zondags kondigde ik de gemeente aan morgen zal er een zingende Mis zijn, de laatste zingende Mis in deze kerk en terstond daarna beginnen wij deze kerk af te breken en een noodkerk daarna in te stellen, welke in deze acht dagen noodzakelijk gereed moet zijn voor de volgende zondag. De gemeentenaren wordt derhalve beleefdelijk verzocht te zorgen dat er genoegzaam personeel hier aanwezig is om mij daarbij behulpzaam te zijn. De kerk was maandags vol volk en terstond daarna aan het werk. Een lange ladder werd tegen de kerk gezet, ik lom zelf daarop en haalde de eerste pannen van het dak en zo vervolgens van hand tot hand gaf men de pannen over ter plaatse van de noodkerk. Alles ging vrolijk toe en met gang: van de planken van het dak werden de zijwanden van de noodkerk

opgetrokken en waarlijk, ik kon de volgende zondag in de noodkerk de godsdienstoefeningen houden. Nu de muren afgebroken, metselaar timmerman, smid alles kwam. Men had er plezier in: opmijn vriendelijk verzoek kwamen er genoeg met de nodige gereedschappen om stenen te bikken. Zestig duizend stenen werden schoon gemaakt en voor de fundamenten van de nieuwe kerk gebruikt. Het terrein werd in orde gebracht en intussen waren nieuwe stenen aangekomen, in Molenrij gelost en door boeren op het terrein gebracht: alle hand en spandiensten werden voor het grootste gedeelte door de gemeentenaren verricht. De 5de juni begon men met de fundamenten en half november kon ik in de nieuwe kerk godsdienstoefeningen verrichten. Daarbij werkte ik zelf mee, liet menige zweetdruppel op grond en stenen vallen, moedigde aan en bracht gang in het werk. De hardsteen werd ruw op het terrein aangevoerd en op het terrein zelf bewerkt. Van half december tot half januari lag het werk stil. Daarna werd het hervat en afgewerkt. Dit in eigen beheer bouwen was voor mij een grote zorg: ik moest met de opzichter Van Langelaar alles bespreken, alles overleggen, contracten afsluiten en ja zaterdags zorgen dat ik geld had om de werklieden uit te betalen. Bij de koopman winkelier Kramer was mijn wisselbank. Wanneer ik geld te kort kwam (want ik betaalde zoveel mogelijk contant 2% rabat), dan ging ik de boer op en leende (natuurlijk zonder interest. Ik moet zeggen, ze hebben mij trouw bijgestaan. Bij slot van rekening, alles goed berekend, zijn wij nog (vierduizend gulden) onder de begrotinggebleven. Deze slotsom was zeker voor een groot deel aan tact en beleid van de heer Van Langelaar te danken.

In de zomer van 1896 was de nieuwe St. Willibrordus voltooid. Katholieken en niet katholieken zullen in die dagen, toen de geloofstegenstellingen hard en scherper waren, er aan hebben moeten wennen dat de oude toren van de hervormde kerk het dorpssilhonet niet langer domineerde. De nieuwe kerk was na het onaanzienlijke schuurachtige gebouwtje een manifestatie van een parochie die niet meer arm was, een groter besef van eigenwaarde gekregen had en die haar godsdienstzin accentueerde.

Het aan alle kanten vrijstaande, neogotische kerkje (afb. 3 en 4) ligt enkele tientallen meters van de hoofdweg, met het koor in zuidelijke richting. De korte, vierkante toren is bekroond met een achtzijdige naaldspits. Hij staat half voor de kerk en half in de eerste travee van het schip: de eerste verdieping fungeert als zang en orgeltribune. Het schip is vijf traveeën lang. De transeptarmen steken iets uit. Ze zijn smal, en in overeenstemming met hun breedte ook niet erg hoog: hun zadeldak sluit als een steekkap aan bij het zadeldak van het schip, dat in vergelijking met de gebruikelijke dakkappen van Cuypers niet erg steil is. Mogelijk is dit een gevolg van de verlaging van de toren, waardoor in verband met de aansluiting van het dak een lagere nok nodig was. Vooral moet echter ook bedacht worden dat sinds de dakkapellen bij restauratie van de kerk (1969) verwijderd werden, het dak veel lager en breder lijkt. Het koorgedeelte, in 1904 door Cuypers zoon Joseph vergroot, bestaat uit een middenbeuk die iets lager is dan het schip en een veelhoekige afsluiting heeft en twee kleine zijbeuken ter grootte van êên tracee en met een lessenaarsdak gedekt. Het estedeur heeft in zijn totaliteit een indruk van soberheid: de weinig samenstellende delen zijn ongecompliceerd van vorm en op simpele wijze gegroepeerd. De dekoratie is spaarzaam aangebracht en bestaat vrijwel uitsluitend uit eenvoudige variaties in het metselwerk.

De uitwerking van het interieur (afb.5 en 6) is minstens zo verzorgd en eenvoudig van karakter: schoon metselwerk, dunne zandstenen zuilen (in de viering wat zwaarder uitgevoerd), gewelven van gele baksteen (kruisribgewelven in de middenbeuk, een straalgewelf in de koorsluiting, een spitstongewelf in de transeptarmen en in iedere travee van de zijbeuken een apart tongewelfje met een zeer geringe porring), een driebeukige aanleg van schip en koor en een tweedelige opstand.

Vergelijking van het interieur met het exterieur levert de verrassing op dat hoewel de kerk aan de buitenkant een pseudo basiliek lijkt (een middenbeuk met lagere zijbeuken, maar zonder bovenlichten), hij aan de binnenzijde een volkomen regelmatig aangelegde basiliek is: het schip wordt door de ramen bovenin de middenbeuk door het daglicht verlicht. Deze zeer merkwaardige en zeldzame tussenvorm van een basiliek en een pseudo basiliek is misschien een consequentie van de geringe financiële armslag van de architect: deze kerk was goedkoper dan een basiliek en lichter en ruimer dan een pseudo basiliek. De oplossing is echter een compromis dat even onverwacht als bevreemdend is in het oeuvre van Cuypers, die in heel zijn carrière steeds principieel het,,oneerlijke,, bouwen afwees: de ,,schijnarchitectuur,, waarbij zoals hier de suggestie van uiterlijke vorm niet strookte met de inwendige structuur. De theorie van de neogotiek met name Cuypers neogotiek stelde daar juist tegenover dat het exterieur niet in tegenspraak mocht zijn met het interieur en dat het bouwschema van het interieur al uit het exterieur moest blijken. Dat Kloosterburen zo ver verwijderd was van het centrum van het land en dus eventuele invloedrijke critici moet het voor Cuypers gemakkelijker hebben gemaakt zozeer van zijn principe af te wijken. Er is in zijn overige werk een enkele maal,,Schijnarchitectuur,, aan te wijzen, maar een belangrijker voorbeeld dan het kerkje van Kloosterburen lijkt er niet te zijn.

Het is Cuypers gelukt het fraaie kerkje aan zijn omgeving aan te passen: het is in zijn eenvoud een typische dorpskerk. Typisch, omdat Cuypers zich kennelijk heeft laten inspireren door de contouren en de vorm van de Groningse en Friese middeleeuwse dorpskerkjes. Dit was niet het geval bij de vrijwel gelijktijdig gebouwde ST. Vituskerk te Blauwhuis (Fr.), een veel grotere kerk in een even klein dorp, waarmee de St. Willibrorduskerk verscheidene details gemeen heeft. De beide kerken zijn de eerste twee die Cuypers in het noorden des land bouwde en derhalve de eerste representanten van de fase in de Nederlandse neogotiek die in technisch en ideëel opzicht uitermate belangrijk was voor de ontwikkeling van de bouwkunst.

De pastoor van Kloosterburen kan zich van dat belang niet bewust geweest zijn. Maar (gij begrijpt wel als ik een kerk moet bouwen dan bouwen wij ook een kerk) hij moet een open oog gehad hebben voor het prestige dat zijn bouwonderneming kreeg door de medewerking van de architect die in het hele land vermaard geworden was, terwijl de katholieken elders in de provincie nog genoegen moesten blijven nemen met hun waterstaatskerkjes.

?????????A van der Woud.